U bent hier

Schilderijen zonder vernis – het Nieuwe Schoonmaken

vrijdag 14 september 2018 - 13:29

Lise Steyn test een nieuwe manier van schoonmaken uit bij een schilderij van Karel Appel.

Een ongevernist schilderij schoonmaken is een lastige klus. Je zit meteen op de kwetsbare verf. Gelukkig leverde gebundeld onderzoek uit heel Europa nieuwe methoden op, waar restau-ratoren hun voordeel mee kunnen doen.

Door Klaas Jan van den Berg

In de twintigste eeuw vernisten veel schilders hun werk niet meer. Wellicht jammer, want vernis beschermt olieverf goed tegen vuil. Als zo’n modern schilderij vies geworden is, dan valt het nog niet mee om het schoon te maken. Op zoek naar betere manieren was de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de afgelopen drie jaar samen met de Universiteit van Amsterdam verantwoordelijk voor een groot Europees onderzoek. Zo bestudeerde promovenda Lise Steyn hoe je wetenschappelijke kennis praktisch in kunt zetten bij het restaureren van dit soort kwetsbare schilderijen. Zij paste onder andere verschillende moderne schoonmaaktechnieken toe bij schilderijen van Asger Jorn, Karel Appel en Robert Ryman.

Zeker de werken van Jorn en Appel kun je maar moeilijk schoonmaken via de traditionele aanpak met bijvoorbeeld gesteriliseerd water en wattenstaafjes. Het oppervlak van deze schilderijen is vaak poederig of gevoelig voor water. Steyn gebruikte daarom materialen die in de laatste jaren zijn ontwikkeld, zoals bepaalde sponsjes, kleverige gels en gels die je als een vloeibare massa aanbrengt. Als de massa is gestold haal je die samen met het vuil weer veilig van het schilderij. Hierdoor wordt het contact met het water dat in de gel zit tot een minimum beperkt, net als de wrijving tussen gel en verf.

Belangrijk initiatief

Het driejarige schoonmaakonderzoek vond plaats binnen het Joint Program-ming Initiative on Cultural Heritage and Global Change. Hierin zetten Europese landen internationaal onderzoek met een gezamenlijk budget op. Dit belangrijke initiatief van de Europese Unie wordt mede door de Rijksdienst gecoördineerd. De dienst en de Universiteit van Amsterdam werkten in dit geval samen met de Tate Gallery en het Courtauld Institute of Art in Londen, de universiteiten van Pisa en Lissabon, de Staatliche Akademie der Bildenden Künste in Stuttgart, het Stedelijk Museum Amsterdam, het Gemeentemuseum Den Haag en verffabriek Talens. Veel van het onderzoek is uitgevoerd door studenten. Eind mei is het in samenwerking met het Netherlands Institute for Conservation, Art and Science in het Rijksmuseum afgesloten met een driedaags internationaal congres. Maar liefst 320 deelnemers uit 31 landen reisden ervoor naar Amsterdam.

Voor restauratoren, conservatoren en conserveringswetenschappers is de schilderkunst uit de twintigste eeuw dan ook een dynamisch werkterrein. Denk aan de fauvisten, De Stijl en Cobra, maar ook aan hedendaags werk van nog levende kunstenaars. Veel meer dan bij oudere schilderijen gaan vraagstukken over de beleving en de intentie van de kunstenaar hand in hand met materiaaltechnische en conserveringskwesties. Omdat meestal de vernislaag ontbreekt, moderne verf chemisch complexer is dan bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw en kunstenaars meer experimenteerden met het mengen en aanbrengen ervan zijn nieuwe schilderijen extra kwetsbaar. Ze zijn gevoeliger voor licht, vuil en schadelijk gas dan oude schilderijen. De Rijksdienst krijgt er vaak vragen over. Voor het beantwoorden van alle vragen is er nog onvoldoende kennis aanwezig. Maar met het grote schoonmaak-onderzoek zijn de antwoorden weer enkele stappen dichterbij gekomen.

Grote fabriek

Door die grote rol van de verf in het behoud van moderne schilderijen was ook de samenwerking met Talens belangrijk voor dit onderzoek. Deze grote fabriek van kunstenaarsverf is in 1899 opgericht in Apeldoorn. Hier is het bedrijf nog steeds gevestigd en hier wordt nog steeds alle verf vervaardigd. Beroemde kunstenaars die schilderden met verf van Talens zijn Kees van Dongen, Edvard Munch, Jan Wiegers, Ernst Ludwig Kirchner en Karel Appel. Talens bezit een uitgebreid archief. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ontsloot het om tot een maximaal inzicht te komen hoe de verf veroudert en zich manifesteert in de werken van de kunstenaars en om te komen tot de beste schoonmaakmethoden.

Synthetisch-organische pigmenten zijn in de twintigste eeuw steeds meer in de plaats gekomen van anorganische pigmenten. Sommige hiervan zijn minder stabiel en Talens deed daar zelf onderzoek naar alvorens ze in productie te nemen. Student Rika Pause analyseerde de receptuur, de toeleveranciers en de pigmenten in de verf. Beroemd is de ETA-verf, een olietempera met caseïne, die Talens rond 1930 ontwikkelde. Het was relatief goedkope verf, waar schilders met name reclameborden mee maakten, maar ook kunstenaars als Eugène Brands en Karel Appel gebruikten hem. Lisanne van den Heuvel en Inez van der Werf voerden een onderzoek uit naar de receptuur van ETA-verf en het gebruik ervan door kunstenaars. Of de werken die met ETA zijn vervaardigd extra vuil aantrekken of moeilijk zijn te reinigen is nog niet onderzocht. Er is dus nog werk aan de winkel.

Klaas Jan van den Berg, specialist conservering en restauratie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en bijzonder hoogleraar natuurwetenschappelijke aspecten van conservering en restauratie van roerend cultureel erfgoed, in het bijzonder schilderkunst, aan de Universiteit van Amsterdam, leidde dit onderzoek. Zie ook cleaning modern oil paints.

Reacties