U bent hier

Steenkoolteer en rietpen – de inkttekeningen van Vincent van Gogh

Het RCE-'steenkoolteerteam'. Van links naar rechts: Birgit Reissland, Frank Ligterink, Han Neevel en Art Proaño Gaibor.

Een eerste associatie bij de laat 19de-eeuwse tekeningen en schilderijen van Vincent van Gogh is vooral het natuurrijke Zuid-Franse landschap dat hij uit zijn pen en penseel wist te toveren, en in mindere mate de fabrieken en installaties van de industriële steenkoolteerchemie. Toch is ook de explosieve ontwikkeling van de chemische industrie en wetenschap rond steenkoolteer – het stinkende, giftige, bruinezwarte afvalproduct van de gaswinning uit steenkool – een ultiem verhaal van de 19de eeuw. Beide verhalen komen op wonderlijke wijze bij elkaar bij de bestudering van de tekeningen van Vincent van Gogh in het ReViGo-project.

Door Frank Ligterink

Wat was nu precies de oorspronkelijke kleur van de serie tekeningen die Van Gogh maakte in mei 1888 van het landschap rondom de ruïne van de abdij Montmajour bij Arles? Omdat de tekeningen zonder uitzondering zijn verkleurd en verbleekt, is die vraag alleen te beantwoorden door de chemische samenstelling van de inkt nader te bestuderen. Speciaal voor dit vraagstuk ontwikkelde het RCE onderzoeksteam een nieuwe monsternametechniek.

Het is nu voor het eerst mogelijk – zonder zichtbare schade – inktmonsters van tekeningen te nemen. De chemische analyse van enkele tekeningen maakt alvast duidelijk dat Van Gogh gebruik maakte van violet gekleurde synthetische aniline inkten uit steenkoolteer. Deze destijds moderne kleurstoffen met hun nieuwe, ongekend heldere kleuren moeten een grote aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op de experimentator en colorist Van Gogh.

Hoeveel inktpotjes?

Tegelijkertijd roepen de analyseresultaten spannende nieuwe vragen op. In eerste instantie lijkt sprake te zijn van verschillende kleurstofcomponenten die zouden wijzen op meerdere inkten. Maar hoeveel inktpotjes stonden daadwerkelijk op Van Goghs tekentafel? Om de resultaten beter te kunnen interpreteren, bestudeert het onderzoeksteam de variatie aan vergelijkbare kleurstoffen uit de RCE-referentiecollectie en historische inktflessen. Daarom staan in het lab nu zo'n twintig verschillende, laat 19de-eeuwse potjes met subtiele varianten van telkens weer ander complexe chemische mengsels van violette kleurstoffen afkomstig van verschillende Franse en Duitse producenten.

Om die puzzel te ontwarren is kennis over de industriële synthese van deze kleurstoffen nooodzakelijk. Die vinden we in de verrassend gedetailleerde naslagwerken van Duitse en Franse chemici uit de tijd van Van Gogh. Tussen de regels door ontstaat het beeld van een titanenstrijd tussen de chemische industrie van beide landen, en de ongekend stimulerende wisselwerking tussen chemische industrie en de zich razend snel ontwikkelende wetenschap van de synthetische organische kleurstofchemie. Ook dat is de 19de eeuw van Van Gogh. Nooit geweten dat Die Chemie des Steinkohlentheers zo ongelooflijk spannend kon zijn.

Reacties